Aanmerkelijke belastingverlaging te verwachten m.b.t. het voordeel van alle aard van woningen

De zware belasting van het voordeel alle aard (vva) woning ter beschikking gesteld door een vennootschap, recente rechtspraak in het voordeel van de belastingsplichtige.

 

Probleemstelling: regelmatig komt het voor dat rechtspersonen, dus nv’s en bvba’s, de mogelijkheid geven aan de zaakvoerder het huis dat eigendom is van de vennootschap te bewonen.

Vanzelfsprekend is dat een voordeel van alle aard(vaa) welke aan de zaakvoerder wordt toegekend vermits het door hem in principe niet betaald wordt.

Vele zaakvoerders hebben nu ondervonden dat dit voordeel van alle aard- dat later ook belast wordt- toch een aanzienlijk bedrag vertegenwoordigt.

De reden daarvan is dat men voor de waardering van het voordeel van alle aard van de woning men een onderscheid maakt of dat de ter beschikking gebeurt door een rechtspersoon of door een natuurlijk persoon.

De berekening van het voordeel van alle aard is door de wetgever geregeld geworden en dit in artikel 18 KB/WIB 1992. In dit artikel wordt een onderscheid gemaakt of  de terbeschikkingstelling gebeurt door een rechtspersoon of door een natuurlijk persoon.

Met als gevolg dat wanneer het voordeel  wordt verleend door een rechtspersoon veel hoger ligt dan wanneer dit gebeurt door een natuurlijk persoon.

In concreto wil dit zeggen:

een woning met een KI van € 2000,00 niet geïndexeerd

de woning wordt in 2016 voor 100% ter beschikking gesteld aan de zaakvoerder.

Berekening van het voordeel: 2000,00 × 1, 7153 × 3,8 × 100/60 = € 21.727,13

Indien deze woning  ter beschikking wordt gesteld door een natuurlijk persoon zal de berekening als volgt zijn: 2000,00 × 1,7153 × 100/60 = 5717,66.

In het verleden is regelmatig de vraag gesteld of deze hogere waardering en met als gevolg dus ook een hogere belasting bij de zaakvoerder, wel verenigbaar is met het gelijkheidsbeginsel.

In een arrest van 24 mei 2016 van het hof van beroep van Gent (Fisc.nr.1482,12) kwam men tot het besluit dat het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel geschonden is aangezien de fiscale administratie geen redelijke en objectieve verantwoording voor het onderscheid in waardering  kan voorleggen. Met als gevolg vernietiging van de aanslag waarbij men toepassing had gemaakt van de verhoging omwille van het feit dat de terbeschikkingstelling gebeurde door een rechtspersoon.

In een gelijkaardige zaak diende het hof van beroep van Antwerpen op 24.1.2017 eveneens zijn mening te geven. Zij komt tot de vaststelling  dat de tekst van het KB/WIB 1992 zelf geen redelijke en objectieve verantwoording opgeeft voor het gemaakte onderscheid. In deze zaak geeft de administratie zelf toe dat de waarderingsregel geen onderscheid maakt tussen deze categorieën van genieters maar dat de administratie wel een onderscheid hanteert dat is gebaseerd op de persoon die het gebouw ter beschikking stelt ,natuurlijk persoon of rechtspersoon,( Fisc..Act.2017,afl 5,1).

Samenvattend kan men zeggen dat beide hoven van beroep de hogere waardering van het voordeel van alle aard in het geval het gebouwd goed ter beschikking wordt gesteld door een rechtspersoon, totaal strijdig  vinden  met het grondwettelijk gewaarborgd gelijkheidsbeginsel en dat bijgevolg deze hogere waardering niet mag worden toegepast.

En dat bijgevolg de belastingplichtige die zelf eerst gebruik maakte van de hogere waardering in zijn aangifte niet kan worden verweten vermits hij zich wel duidelijk vergist had op dat vlak.

Bijgevolg staat voor hem nog steeds de mogelijkheid open bezwaar aan te tekenen tegen de gevestigde aanslag over het inkomstenjaar 2016  van de personenbelasting om op die manier de toepassing van het hoger forfait te vermijden wel op voorwaarde dat de bezwaartermijn van 6 maanden niet verstreken is.

Axel Gerrits
26/06/2017                                                                                                                                    
Fiscaal Jurist